Laten we ons even een beetje terug voeren naar de basis en de realiteit. De geschiedenis van de Dominee die in de meeste Parson Jack Russell boeken wordt weergegeven laat zien hoe wij tegenwoordig aankijken tegen de jaren en omgeving waarin Dominee John Russell leefde. Zinnen als: "De door John Russell gefokte terriërs moesten voldoen aan specifieke werkeigenschappen. De hond moest mee kunnen lopen in de meute, goed op de vos te gebruiken zijn en het wild aanblaffen en uit de holen jagen zonder het wild te doden." De realiteit was echter dat hij hier toch wel wat laconieker mee omging dan de suggestie die wordt gewekt dat hij bij het fokken specifiek hier op lette. Hij deed de honden gewoon weg, wanneer deze hem niet bevielen. Zijn eerste keuze voor een eerste hond van de melkboer (zoals overal beschreven), zegt ook genoeg over zijn specifieke wenselijke werkeigenschappen. Hij had "Trump" (zijn 1e terriër) immers nog nooit zien werken.
Maar goed, om te beginnen dateerden de werkende Fox Terriërs al van ver voor Dominee John Russell. Onthoud dat de jonge John Russell zijn "Trump" van een melkboer kocht die haar had vastgebonden aan zijn melkkar (zoals de legende ons doet geloven).
Het schilderij bovenaan deze pagina, is van de schilder Sawrey Gilpin, geboren in Cumbria in 1722 en stierf in 1803, enkele jaren voordat Dominee John Russell zijn beroemde 1e terriër "Trump" bemachtigde. Gulpin was een schilder die gespecialiseerd was in het schilderen van dieren en in het bijzonder van paarden, vee en honden. Deze foto hierboven laat dus niet alleen zien dat het jagen met een meute op de vos, al ver voordat John Russell op het podium verscheen werd bedreven, maar ook dat aan het kleine witte hondje rechts te zien is hoe ver het stond met de ontwikkeling van deze Witte Terriërs. Deze witte hond rechts op dit schilderij is ook onderwerp op een ander schilderij van Gilpin.
De
hond in dit schilderij is een Terrier met de naam "Pitch,"die
eigendom was van kolonel Thornton. Dit schilderij werd gemaakt in
1790 en het zal u opvallen dat deze hond een soort blauwdruk zou kunnen
zijn voor de werkende witte Fox Terrier, zoals we die vandaag de dag van
de Parson Jack Russell kennen. Kompleet met de vlek op de staart en de
scheidingslijn in het midden van de kop.Zoals gezegd kocht Russell zijn eerste teefje niet alleen maar zonder haar te hebben zien werken, hij had er ook geen enkele moeite mee een andere "geschikte" werkende Fox Terrier, met een wit lijf, te vinden om haar te laten dekken.
In
feite was deze nogal nonchalante manier om honden op te pikken Russell's
manier waarop hij zijn hele leven zaken deed. Zijn financiële situaties
waren van dien aard dat hij bij herhaling zijn jachthonden in de uitverkoop
moest doen. De opmerking dat hij een rode draad uit zijn lijnfokkerij
met als afstamming "Trump" hield, is nonsense. Hij nam honden zoals ze
werden aangeboden en hield ze als ze werkten en deed ze weg als hij dat
nodig vond. Geld was zeker een drukkende factor in het leven van
Russell.Zonder twijfel probeerde Russell te fokken met de beste honden die hij kon vinden, maar in die tijd van de meute jacht, waren honden gewoonweg een praktische zaak. In de jaren voor de hondenshows, telefoon en internet was er geen roem en rijkdom te behalen met Werkende Terriërs.
Het meeste wat er over Russell's honden wordt verteld is pure onzin. Het beroemde schilderij van "Trump" (Foto van Trump), bijvoorbeeld, werd meer dan 40 jaar na het overlijden van deze hond geschilderd en werd geschilderd door iemand die het oorspronkelijke dier niet eens heeft gezien. Russell zei: "the painting was a good likeness",
maar in feite probeerde hij misschien wel beleefd te zijn naar degene die het schilderij aan hem opgedragen had, namelijk Edward VII (toen de Prince of Wales), die bevriend werd met de oude John Russell en de opdracht had gegeven als een soort eerbetoon aan de oude man. Tegenwoordig hangt het schilderij in Sandringham.
Russell jaagde ongeveer 40 jaar met terriers toen de eerste hondenshow in Groot Brittaníë werd gehouden in 1859. In dat zelfde jaar bracht Charles Darwin's het boekt "The Origin of Species" (Evolutieleer) uit.
Het moet gezegd worden dat dit beroemde boek van Darwin en de hondenshows dezelfde oorsprong hadden, namelijk de agrarische stamboekvee-shows die aan het einde van de 18e eeuw met Robert Bakewell begonnen. Vóór Bakewell waren dieren vrij om te kiezen met wie zij paarden. Bakewell was de eerste persoon die liet zien dat door selecteren en controleren van de beste dieren het fokken snel tot verbeteringen kon leiden. Het was Blakewell's werk met de veredelingsselecties en gecontroleerde fok van vee, wat Erasmus Darwin, de grootvader van Charles Darwin, naar zijn zoon toe, naar voren bracht en wat misschien wel de drijvende veer naar hem toe was voor diens visie op het ontstaan van de natuur.
Bij de publicatie van The Origin of Species (Evolutieleer) in 1859, was Victoriaans Engeland verdwaasd door deze natuur historische studies. Er werd een start gemaakt met enorme collecties vogeleieren, vlinders en kevers en het houden van exotische vogels in een menagerie (de voorloper van een dierentuin, maar dan in de vorm van een soort Koninklijke dierengevangenis zoals dat aan het hof vanaf de middeleeuwen zeer gebruikelijk was).
Honden zijn, natuurlijk, altijd al een hebbeding geweest en deze dan ook voor de hand liggende "natuur"-trend werd ook misschien wel gevoed door Queen Victoria die zelf een gretig hondenverzamelaar (zij had ook een terrier) was en wiens goedkeuring van de vereniging tegen dierenleed de naam transformeerde van SPCA naar RSPCA.
Darwin's werk en theoriën werden uitgebreid door zijn neef Sir Francis Galton. Galton was de grondlegger van de moderne veld-statistieken, de ontdekker van de vingerafdruk-identificatie en de maker van de eerste "onhoorbare" hondenfluitje. Maar veel belangrijker in dit verhaal is dat hij oprichter was van studies en experimenten, zoals wij die vandaag de dag kennen als Eugenetica (= het wetenschappelijk onderzoek naar het verbeteren van dierenrassen, in het bijzonder van het mensenras). Galton's Eugenetica-theoriën beargumenteerden dat soorten en rassen gecreëerd konden worden en eindeloos verbeterd konden worden door vooraf gedefinieerde kenmerken.
Om een lang verhaal kort te maken, dit bracht Darwin' Evolutieleer in een stroomversnelling. Het denkbeeld dat fokken met exemplaren die te dicht aan elkaar gerelateerd waren zou leiden tot overerving van defecten of gebrekkige dieren kon men niet voorstellen. De gedachte overheerste dat evolutie een éénrichtingsweg was en dat het fokken met het "beste van de beste" ons gewoon tot verbetering en versnelling zou brengen van wat moeder natuurlijk al deed.
Dat was de Theorie.
Het was deze theorie die warm werd omarmd door U.K. Kennel Club (The Kennel Club), die zijn fundamenten heeft in 1873 en welke diep werd beïnvloed door het werk van Galton.
The Kennel Club's veronderstelling was deze:
maak een zichtbare rasstandaard, accepteer in een
besloten register alleen die honden die zich aan deze regels kunnen
conformeren en moedig dan het fokken met "de beste van de beste" van dit
"zuivere ras-"honden aan, door een programma van prijzen-toekennende
shows.
Zoals de meeste nieuwe organisaties, begon The Kennel Club met trillende
benen en dachten ze zichzelf zo snel mogelijk te promoten door te
proberen zichzelf te associëren met "namen" en geld. Dominee John
Russell had geen geld, maar met zijn 79-jarige leeftijd was het een van
de grote oude mannen van het Fox-meute jagen en bij iedereen geliefd.
Wie kon beter dan hij, oordelen over de Foxterriër-classe op een van eerste
hondenshows.
Russell was zonder twijfel gevleid door het verlangende voorstel van de
The Kennel Club
en hij onthaalde de uitnodiging warm om te komen jureren bij de
Crystal Palace show. Oud en bijna failliet had hij twee jaar eerder
(1871) zijn grootste deel van zijn meute weg moeten doen. Misschien was
dit de manier om een hand te blijven houden in deze honden. Blijkbaar, echter,
beviel het Russell niet wat hij zag in The Kennel Club ring en zou hij
nooit meer jureren bij een Kennel Club Show. Hij weigerde zijn honden te
laten registreren.
Later, beschreef Russell de Kennel Club terriers die hij zag als warme
huisrozen: "True terriers (zijn eigen honden) were, but different from
the present show dogs as the aglantine differs from a garden rose".

1877 dog show
In 1883 stierf John Russell op 88 jarige leeftijd.
Na zijn begrafenis werden de paar honden die achter
bleven op Black Torrington weg gegeven. Het waren vier erg oude terriërs
met de namen "Rags", "Sly", "Fuss" en "Tinker". Op de dag van zijn
begrafenis werden zijn preken en andere papieren, waaiende over het erf
van zijn boerderij aangetroffen. Weinig of geen enkel zelf ondertekende
aantekening van Dominee John Russell heeft het tot vandaag de dag
overleeft.
Rawdon Lee, Kennel Editor van "The
Field" magazine (publiseerde 'Modern Dogs') beschreef in
1893 de afwezigheid van Devon Terriers bij de showring tentoonstellingen: "Het heeft er de
schijn van dat draadhaar terriers uit
Devonshire niet meer gebruikt worden
voor showdoeleinden. Alles in overweging nemende, zouden ze er bij vele
gelegenheden net zo goed uitzien als dat zij hebben bewezen in hun
daden. De honden die eigendom waren van Dominee John Russell verschaften
een wereldwijde reputatie. Tevergeefs zoeken we naar zijn
overblijfselen van dit ras in de stamboekn en wat blijkt, het
ruige uitgestrekte platte land (het noorden) heeft zich wederom weer gedistancieerd van het
zuiden in de race voor het geld. Ofschoon de edelmoedige geestelijke sportman
toestemming gaf, om zo nu en dan te jureren bij een
lokale show in het westen, geloofde hij niet echt in deze
tentoonstellingen. Voor zover het honden en paarden betrof gold er bij
hem van "mooi is mooi als hij het doet", dus zolang het zijn werk
maar goed deed. Eén kort been en drie lange, was voor de late Dominee
John Russell bij een terriër geen ergernis."
Lee ging verder in zijn bericht dat de beste werkende honden,
tot op de dag van vandaag (toen dus) niet te vinden waren in de Kennel
Club:
"In feite waren deze (terriers) het beste aangepast aan het harde
werk, bij de foxhounds (vossenjacht met hounds) of bij de otterhounds
(otterjacht)". Ze waren "cross-bred", harde honden
die speciaal voor het werk getraind waren, ofschoon veel van deze
"pedigree"-exemplaren (officiële door The Kennel Club ingevoerde registratie)
exemplaren naar hun beste kunnen dezelfde plichten zouden doen, maar hun
"pedigree", met, zonder twijfel in zekere zin lijnfok, hen structureler en zwakker hebben gemaakt dan de minder blauw-bloedige
neven."
Tot slot, om het af te sluiten schreef Lee:
"Ik heb een man gekend die als jury voor Fox-Terriers heeft opgetreden en wie er nog nooit eentje heeft gefokt. Hij had nog nooit een vos voor een meute gezien, had nog nooit een terrier ondergronds gezien en had zelfs nog nooit een terrier achter een konijn aan zien jagen"
Slechts 20 jaren gingen voorbij sinds de oprichting van The Kennel Club
en de doodsklok werd al geluid voor de Fox Terrier. Reden was, dat in de
tijd dat Rawdon Lee geschiedenis schreef, the Kennel Club een soort
terriërgekte doormaakte. Reden hiervan was dat de Terrier toen, en nogsteeds, zowel practische alsook psychologische
behoeften vervulde.Van de practische kant gezien, zijn ze klein en
makkelijk hanteerbaar. Aan de psychologische kant zijn het actieve
honden en niet te meisjesachtig voor een man of actieve vrouw. Fox
terriërs in het bijzonder maken aanspraak op veldsport en worden
aangetrokken, met name door diegenen, die zichzelf associëren met geld,
romantiek en het aristocratische van het meute jagen. Feitelijk was de
eerste rasspecifieke publicatie in de "Fox Terrier Chronicle",
die het komen en het gaan van Kennel Club Shows bijhield alsof het
een High Sociëty zaak was. Er werd begonnen met speciale hondenshows om
terriers tentoon te stellen en in 1886 nam hondenvoer-zakenman met de
naam Charles Cruft de Allied Terrier Club Show over bij de Royal
Aquarium in Westminster, met het oogpunt er een winstgevende onderneming
van te maken. In 1891, toen de eerste show werd geboekt in de Royal
Agricultural Hall in Islington, werd deze terriershow hiermee de
eerste formele "Cruft-Show"
In 1884 startte de Amerikaanse Kennel Club
en de terriërgekte, die in Groot Brittanië begonnen was, vloog over
naar de VS. Om een kleine indruk te krijgen hoe sterk deze manie was,
kun je kijken naar de geschiedenis van de Westminster hondenshows, die
zijn eerste "Best in Show"-prijs uitgaf in 1907. De eerste winnaar was
een Fox Terrier. Verder won er een Fox Terrier in 1908, 1909, 1910,
1911, 1915, 1916, 1917,1926, 1928, 1930, 1931, 1934, 1937 en1942. Dit
waren ook de jaren waarin het gezicht van de Fox Terrier langer werd en
de borstomvang door showfokkers groter werd. In deze Terriër-dwaze wereld stapte Arthur Heinemann, geboren in
1871 (het jaar waarin John Russell het grootste deel van zijn hounds
voor de laatste keer weg deed) een jonge man die interesse
had naar het graven naar dassen en die slecht 12 jaar was toen de
dominee John Russell overleed.
Toen Heinemann 20 jaar was, begon hij zich te interesseren voor het
Dassen jagen.
In 1894 richtte hij de Devon and Somerset Bagder Digging Club
op. Een kleine regionale club die bestond uit overeenkomstig denkende
vrienden. De vraag nu is; "Waar haalde Heinemann zijn honden vandaan?"
Niet van John
Russell!
Zoals eerder aangetekend gaf Russell het jagen op in het jaar
dat Heinemann werd geboren, en overleed de Dominee toen Heinemann 12
jaar oud was. Heinemann en Russell hebben elkaar nooit ontmoet.
Een werkende terrier te bemachtigen was in geen enkel opzicht een
probleem. Hierboven al beschreven, waren witte werkende terriers verre van ongebruikelijk, zelfs niet in Russells jeugd en rond
1880 waren ze vaste prik in The Kennel Club en er waren wijd verspreid
over het platte land, allerlei type kruisingen te vinden. Zoals we weten
hield Russell zelf geen pure lijn van zijn honden en was zelf een beetje
een hondenverkoper. Tegen de tijd van Russell's dood kon bijna iedereen
wel zeggen dat hij eigenaar was van een afstammeling van Russell's
honden. Aangezien Russell zijn eigen honden niet had laten registreren
en er geen stamboomkaarten na zijn dood overleefden (als ze er al
waren), wie zou er dan wat anders moeten zeggen? Iedereen die claimde
een afstammeling van Russell's honden te hebben was vrij om dat te doen
en een aantal deden dat ook.
Een van deze mensen was Annie Rawl Harris, een "Kennelmaid"
van Squire Nicholas Snow of Oare een verwante van Will
Rahl, John Russell's kennelman. En had Annie Harris een directe
afstammeling van John Russell's honden? Ja natuurlijk. Wie niet?
Zoals Dan Russell (pseudoniem voor Gerald Jones) een keer in een
interview met Eddie Chappman opmerkte: "John Russell was heel erg een
hondendealer, maar ook een fokker. Hij scharrelde of kocht iedere terrier waarvan hij dacht dat het graag zou werken, of hij zou het ervan
maken en weer verkopen. Hij ging elk jaar naar Scorrier House in
Cornwall voor een kort verblijf. Ze hadden daar een eigen lijn Fox
Terriers die zij Scorrier Terrier noemde en die de reputatie had dat het
al meer dan 200 jaar een zuiver foklijn had. Bij het vertrek van de
Dominee nam hij al die terriers mee, die zij daar niet wilden hebben".Vandaar
dat we stellen: John Russell's type honden waren geen unieke Parsons,
hij was niet bang om ze te verkopen en andere te kopen om weer mee te
fokken. Iedere hond met een wit lijf in "the West Country" kon claimen
(en misschien wel terecht) een afstammeling te zijn van een hond die van
John Russell was.
Misschien is dit het moment om nog eens te zeggen dat Arthur
Heinemann's terrier club de Devon Somerset Badger Digging Club
werd genoemd. Zijn jachthondenverzameling (die hij in 1902 bemachtigde)
waren Cheriton Otterhounds. Voor de duidelijkheid. Badger (dassen) en
Otter (Otters). Heinemann jaagde dus niet op Vossen, maar groef dassen
uit en jaagde op otters met hounds en terriers. Een punt wat door een
aantal mensen word verdoezeld, maarwat niet onbelangrijk is, is dat de
borstomvang van de honden bij de dassen -en otterjacht veel minder
belangrijk is dan bij de vossenjacht.
In elk geval veranderde the Devon and Somerset Badger
Digging Club in 1914 haar naam naar "The Parson Russell Terrier Club."
Waarom deze naamsverandering? Kort gezegd, en de woorden van
zijn vriend Dan Russell (alias Gerald Jones) gebruikende: Heinemann was
een hondendealer die enorm veel honden verkocht, zowel in Groot
Brittanië als overzee. Hij en zijn vriendin Annie Rahl Harris kwamen er
achter dat wanneer zij hun honden verkochten onder het merk
"Jack Russell Terriers" zij de honden beter verkochten.
Waarom verkochten ze hiermee beter? Nou, heel eenvoudig;
niemand wilde een Kennel Club Fox Terrier! Zoals Rawdom Lee had
opgemerkt, waren de beste werkende terriers geen Kennel Club honden. Ze
waren voortgekomen uit Cross-fok of waren voortgekomen uit honden die
ver weg stonden van de showringen. Terwijl de dominee John Russell zijn
eigen honden Fox terriers noemde en Rawdom Lee 10 jaar na de dood van de
dominee, deze honden nogsteeds Fox Terriers noemde, was er bij de
wisseling naar de 20e eeuw een nieuwe naam nodig voor werkende honden.
En die naam was niet de "Parson Russell" Terrier." Het
was de "Jack Russell" Terrier. Zo noemde Robert
Leighton ze in het boek "Dogs and all about them" uit 1910 en dit was de
term die in toenemende mate, binnen de werkende terrier- gemeenschap,
werd gebruikt. Bewijzen hiervan kunt u terug vinden in het boek dat
ergens tussen1927 en 1930 werd geschreven door Jocelyn Luca:
"Hunt
and Working Terriers" gepubliceerd in 1931.
Aan het einde van het boek somt Luca in een lijst een 100-tal
meute-jachten op in G.B. en beschrijft gedetailleerd de verschillende
typen gebruikte terriers, zoals zij in het veld werden gebruikt .
Dit was de overgangsperiode van de naam van de
hond. Ik zeg overgangsperiod, omdat het woord "fox terrier" zo
ongeveer even vaak werd gebruikt als "Jack Russell" en ook andere zinnen
werden gebruikt met de namen "white hunt terriers" en "Devonshire working terrier".
In een opsomming van meer dan 100 jachten, werd er echter bij geen
enkele beweerd dat er werd gewerkt met een "Parson Russell Terrier" en
meestal werd heel voorzichtig het woord "fox terrier" gevolgd door het
woord "cross", "cross-bred", "non-pedigree," of zelfs "mongrel"
(=bastaard).
Hoe een werkende terrier dan ook werd genoemd in Heinemann's tijdperk, het
is nooit de "Parson Russell Terrier" genoemd. De verwarring ontstond,
misschien omdat Heinemann's Badger Digging Club in 1912
hernoemd werd naar: "The Parson Russell Terrier Badger Digging Club". De
hond werd echter zelf altijd een Jack Russell Terrier genoemd. Een club
is geen hond.
Arthur
Heinemann overleed in 1930 door een Longontsteking na een jacht
in de regen met zijn Lurchers (=kruising windhond, retriever en collie),
waarbij hij door het ijs zakte in een sloot. Annie
Rawl Harris zette de verkoop van Jack Russells voort en behield de
Parson Russell Terrier Club totdat deze ontbond vlak voor de Tweede
Wereld Oorlog
Om Dan Russell nog een keer te citeren
uit zijn eigen boek "Jack Russell
and His Terriers":

"Mrs. Harris nam snel de plaats van Heinemann in als scheidsrechter van het Russell Terrier type en ze ging door met het fokken van het type terrier waar Heinemann van hield. In haar bloeitijd bracht ze zo'n 50 puppies per jaar voort. Afstammelingen van haar werden over de hele wereld verzonden. Het was haar fokmethode om alleen honden te gebruiken die bewezen moedig waren"
Na de Tweede Wereld Oorlog, leek het erop dat Engeland goed zonder de Parson Russell Terrier Club kon. De jaren 50, 60 en 70 van de vorige eeuw waren, feitelijk de gouden tijden voor het terrier werk in Groot Brittanië. De 'weekenden' werden uitgevonden (als verdienste van de vakbewegingen) en het was nu gemakkelijker dan ooit tevoren om naar het platteland te reizen. In vergelijking met vroeger, werden door de opkomst van een vaccin tegen hondenziekte er geen grote verliezen meer geleden in een kennel en de opkomst van antibiotica voorkwam dat zo af en toe voorkomende sneeën en wonden konden infecteren. En echtwaar, het waren de beste tijden.
In
1974, the Jack Russell Terrier Club of Great Britain was founded,
"om de werkende Jack Russell Terrier, zoals wij die kennen te promoten
en te behouden.
In 1976, werd de overeenkomstige club in de VS gesticht, "The Jack Russell Terrier Club of
America (JRTCA)".
Beide club floreerden en hielden vast aan hun oorspronkelijke
missie en tot op dag van vandaag is de Jack Russell Terrier Club of America de grootste terrierclub van de wereld.
Met de toenemende populariteit van de Jack Russell Terrier in
G.B. en de V.S. werd er een duwtje gegeven om de Jack Russell
in 1983 de Kennel Club in te krijgen. In 1990 was dat eindelijk rond,
gerepresenteerd door verschillende kleinere Jack Russell Clubs die
elkaar hadden ontmoet om een overeengekomen"standaard" op te stellen dat
gold voor honden met een schofthoogte van 12-15 inch.
Er
wordt gesteld dat deze Kennel Club Standaard was overgenomen
van een door Arthur Heinemann geschreven standaard, maar
hiervoor is zover ik weet nooit bewijs geleverd.
Dan Russell, die met Heinemann jaagde en hem goed kende,
zei dat Heinemann niet van grote honden hield.
In zijn eigen boek, "Jack Russell and His Terriers," geschreven in 1979, vóór de Kennel Club controversie, Dan Russell citeerde Heinemann direct:"Zoals ik me kan herinneren, en ik ga nu 60 jaar terug, was zijn belangrijkste "Badger Dog"(=dassenhond) ongeveer 12 inch. Hij zei altijd dat er niets was wat een goede 14 inch terrier kon doen, wat een goeie 11 inch terrier niet beter kon doen. Maar hierbij moet je wel onthouden dat hij refereerde aan het Badger Digging (dassen uitgraven) in zijn eigen deel van the West Country. Zijn kleinere terriers konden zoveel beter monouvreren in de lange dassengangen, ze vertrouwden op hun stemgeluid om de das voor de uitgraver omsingeld te houden, zodat de uitgravers het konden horen, geen bruut geweld, zoals sommige mensen lijken te denken. Ze waren slimme, moedig blaffende terriers, niets meer. Enkele van zijn beste werkers waren niet meer dan 10 inch."
"We zijn erg gekant tegen de moderne showterrier en zijn type. Op het moment dat je met dit type begint te fokken, verlies je de werkkwaliteiten waarop je bij dit ras zo trots bent. Ik ben, mag ik wel zeggen de voorvechter voor de terrier gemaakt voor de sport en tegen de de terrier gefokt voor de show. Ik heb geen interesse in "Bekerjagen".
Wat Dominee John Russell of Arthur Heinemann voor de honden wilden, of wat zij daadwerkelijk in het veld gebruikten interesseerd de Kennel Club echter geen zier.
In 1990 liet de Kennel Club de hond met de naam "Parson Jack Russell Terrier" toe, een naam die voor de gelegenheid werd gekozen. In 1990 veranderde de Kennel Club de naam "Parson Jack Russell", weer een naam uitgevonden door boekgeleerden van binnen de Kennel Club. In feite was deze hond niet meer dan een Jack Russell Terrier, de onverbeterde Fox Terrier van voor de Kennel Club creatie. De hedendaagse Fox Terriers en Parson Russell Terriers worden zowel in de U.K. als in de V.S. niet meer werkende in het veld gevonden, met een paar uitzonderingen. Hun borsten zijn te groot om ondergronds te gaan in de smalle aarde.
De Amerikaanse Kennel Club volgde de U.K. Kennel Club in het aannemen van de 12- 15 inch standaard en in de variërende namen en wijzigingen.
In 2005 voegde de Kennel Club er nog een beetje verwarring aan het verhaal aan toe, door de standaard van de, nu zo genoemde Parson Russell Terrier, uit te breiden met de toevoeging 'honden met een lengte tot op de schouders variërend van 10-15 inch'. De Amerikaanse Kennel Club volgde de Engelse Kennel Club niet in deze verandering, maar in de plaats daarvan creëerden zij een nieuw hondenras, de Russell Terrier genaamd. Hierbij stelt de rasbeschrijving dat deze is ontstaan in de U.K., maar dat het is ontwikkeld in Australië, een land waar John Russell nooit is geweest, waar nog nooit een Jack Russell leefde voor eind 1960, waar de hond in kwestie een huisdier en een showhond is gebleven die nog nooit een moment werk heeft gezien. De AKC "Russell Terrier" gaat uit van een hond die staande 10-12 inch lang is tot op de schouders.
Hoe nu dit alles te sorteren?
Ik denk eenvoud is het beste. Naar mijn mening zijn er twee typen
terriers in de wereld; die die werken, en die die niet werken. De witte
die werken heten de Jack Russell Terriers en die noem je zo uit respect
voor de werkende standaard, zoals Dominee John Russell deze eerde,
gedurende zijn leven. Veel van deze witte belichaamde werkende terriers
zijn niet geregistreerd, zo ook waren de honden van de dominee dit niet.
Wat maken we dan van de Kennel Club honden?
Simpel, zij zijn geen Jack Russell Terriers. Zij zijn het niet uit
naam, alsook niet in termen van uitvoering van geregeld echt werken. Zij
zijn simpel gezegd een van de terriers die uitgekraamd werden en kracht
werden bijgezet door Kennel Club hoofdzusters.
Dus is er misschien
een plekje waar de Parson Russell bedenkers en de in de praktijk
werkende Jack Russell een stukje gemeenschappelijk basis hebben?
Vreemd genoeg is die er, alhoewel het een gebied is waar over het
algemeen overheen wordt gekeken door het showring publiek, en eentje die
ze zonder twijfel in de lop van de tijd zullen onderdrukken.
Het
punt is de borstmaat.
Barry Jones (15 sept 1999†) een
profesionele terrierman bij de Cotswold Foxhounds in Andovers Ford,
voorzitter, president van de Fell and Moorland Working Terrier Club, de
grondlegger van the National Working Terrier Federation was ook mede
oprichter van the Parson Russell Terrier Club. Hij waarschuwde de club
om de ogen open te houden waar het ging om borstmaat, door op te merken:
"De borst is, zonder twijfel, de beslissenden factor in of een terrier
zijn ondergrondse gangen mag volgen. Te groot en hij/zij is van weinig
waarde onder de grond, hoe vastbesloten een terrier ook moge zijn, het
lichamelijk nadeel is onoverkomelijk in de nauwe situaties die het tegen
komt bij de ontmoeting met de vossen.ook. Het mag misschien wel zo zijn
dat mensen denken dat een vos een groot dier is- voor de gemiddelde
toeschouwers zal het hier ook wel op lijken. De bottenstruktuur van de
vos is fijner dan een terrier plus los-passend en overvloedige pels die
uitgesproken flexibel is.
Ik heb nog nooit een vos ontdekt die niet overspant kon worden met een
14 inch omtrek, met een gewicht van 10lbs tot 24 lbs, op gemiddeld 300
vossen vossen per jaar. U zou niet moeten wensen met uw terier te werken.
Echter, er is een standaard bereikt en omtrek is een must in the Parson
Russell Terrier. "